Geschiedenis
De naam Lommel duikt pas in 990 voor het eerst in een geschreven document op. Graaf Ansfried, uit de adelijke familie van de graven van Leuven, schonk in 990 zijn domein te Lommel - "villam suam de Loemele" - aan de kapittelkerk van Hilvarenbeek. Een deel van dat goed laat zich identificeren als het toen meer dan 100 hectaren grote complex van de Grote Hoef op het Lommels gehucht Einde.
Zoals overal in de Kempen is de nederzettingsgeschiedenis van Lommel een continu proces geweest. Het middeleeuwse landschap en de woonkernen uit die tijd bleven onveranderd tot 1800. Daarna kwamen door grootschalige agrarische initiatieven en door de industriële ontwikkeling nieuwe nederzettingen en woonkernen tot stand. We moeten dan ook verschillende lagen onderscheiden in de Lommelse nederzettingsgeschiedenis.
Binnen de oudste dorpskernen werd aan landbouw gedaan, maar het overgrote gedeelte van Lommel bestond uit heide, waarop niets anders gedijde dan schapen en bijen.
Vooral in de loop van de 14de, maar ook nog in de 15de eeuw, hebben de Hertogen van Brabant de Lommelse dorpsgemeenschap of de abdijen met bezittingen in Lommel (Averbode, Postel) met een aantal voorrechten begunstigd. Vermoedelijk werd aan Lommel het recht van vrijheid verleend tussen 1331 en 1355 door Jan III, Hertog van Brabant. Het recht van vrijheid was een beperkt stadsrecht met marktrechten (voor een week- en jaarmarkt) en het recht tot omwalling.
Sedert 1381 zorgden de vrijheids- en octrooivoorrechten van de week- en jaarmarkten ervoor dat de lokale handelsactiviteiten van herbergen en winkels aan de Plaatse, gestimuleerd werden.
Naast landbouw en veeteelt kwamen in Lommel waarschijnlijk sinds de 15de en 16de eeuw twee andere activiteiten tot ontplooiing die nieuw geld inpompten: het textielambacht en het karvervoer. Reeds in de 15de eeuw, maar meer nog in de 16de en 17de eeuw, vormde Lommel een knooppunt van vrachtvervoer en –voerders.
Omstreeks het einde van de 16de eeuw steekt een nieuw fenomeen de kop op: de teutenhandel, die het economisch bestaan van gans Noord-Limburg (B) en van een stukje van Noord-Brabant (NL) gedurende meer dan drie eeuwen (eind 16de tot eind 19de – begin 20ste eeuw) bepaald en beïnvloed heeft.
Ingevolge het verdrag van Munster kwam Lommel in 1648 met heel Noord-Brabant onder de heerschappij van de Noordelijke Nederlanden. De belangrijkste dorpsambten kwamen in handen van de protestanten. Door het verdrag van Fontainebleau van 12 november 1807 werd Lommel, gelegen in het toenmalige Koninkrijk Holland, omgeruild tegen Luyksgestel, dat bij het Franse Rijk behoorde. Op die manier werd Lommel dus een Franse "municipalité", en dit zou zo blijven tot 1815. Toen maakte Lommel weer deel uit van de Verenigde Nederlanden onder Willem I. Op 20 december 1830 werd België als nieuwe, onafhankelijke staat erkend. De Hollandse koning Willem I bleef echter problemen maken rond de grenzen van België. Pas op 19 april 1839, bij de ondertekening van het "Verdrag der 24 artikelen", werd Lommel definitief Belgisch grondgebied.
Pas in het laatste kwart van de 18de eeuw komt de ontginningsbeweging terug op gang. Een deel van de verpauperde bevolking ging namelijk over tot ontginning van de heide, zonder toestemming van overheidswege. Op het door hen in bezit genomen stuk heide trokken deze “bezetters” meestal een schamele woning of hut op. De belangrijkste “hutten” lagen in het uiterste westen en zuiden van Lommel. Ze vormden de kern waaruit in de 19de eeuw de nederzettingen Stevensvennen en Kerkhoven ontstaan zijn. Ook de woonkernen Waaltjes en Russendorp zijn in diezelfde omstandigheden ontstaan.
De op het einde van de 18de eeuw ontwikkelde ideeën over de functie en de ontginning van “woeste” heidegronden resulteerden in de loop van de 19de eeuw in de stichting van twee nieuwe nederzettingen in Lommel. In een eerste fase, omstreeks 1790, ontstond Lommel-Barrier naar aanleiding van de aanleg van de eerste verharde weg in onze streek, de steenweg Luik – ’s Hertogenbosch, en het door de overheid gepromote Barrierhuis. In een tweede fase, vooral ingezet in de jaren 1840-1850, ontstond Lommel-Kolonie.
De industrialisatie van Lommel is slechts zeer traag op gang gekomen. In 1904 werd de bouw gestart van de zink- en zwavelzuurfabriek 'N.V. Société Métallurgique de Lommel'. Vlakbij de fabriek verrees een planmatige aangelegde arbeiderswijk. Pas in het begin van de jaren zestig, 1962-1963, wordt de ontwikkeling van de industrie in Lommel nieuw leven ingeblazen, met de vestiging van bedrijven zoals Philips, Emgo, Elep, Bo.go.ma, Ford-Werke. In een derde fase werd het Kristalpark ingericht. Op dit ogenblik is Lommel uitgegroeid tot één van de belangrijkste industrie- en handelscentra van het Noorden.
Op 28 december 1990 ondertekende de Koning de “wet tot toekenning van de titel van stad aan de gemeente Lommel”. Op 2 januari 1991 werd de wet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Deze titel betekende een gepaste bekroning van het feestjaar waarin Lommel zijn duizendjarig bestaan vierde.