Moet er nog zand zijn? In Lommel luidt het antwoord volmondig ‘ja’! Na de erkenning als Vlaams immaterieel erfgoed leeft het zandstrooien meer dan ooit. Samen met zandkunstenaar Theo Grobben graven we in het verleden van dit typische Lommelse gebruik.

Theo Grobben ontvangt ons hartelijk in zijn tot atelier omgevormde garage. Nog wat overdonderd door de media-aandacht die de erkenning de voorbije weken losmaakte. “De tv-ploegen stonden hier bijna aan te schuiven. Dat ik dat nog mag meemaken”, lacht de 84-jarige wiskundeleraar op rust.
Hoe is het zandstrooien ontstaan?
“In de negentiende eeuw gebruikten mensen in onze contreien witte zandkorrels om de stenen vloer te kuisen. Ook de voorste kamer – waar niemand mocht komen – kreeg zo’n witte laag, waarin later patronen werden getekend. Zo ontstonden de eerste zandtapijten, want stoffen tapijten waren voor de meeste gezinnen te duur.”
Het laatste tapijt lag steevast in een café en werd daar heel grondig bestudeerd.
Wanneer ben je er zelf mee begonnen?
“Toen ik dertien jaar was, liep ik over zo'n tapijt tijdens een processie op het Salvatorcollege in Hamont. Later won ik op school ook een zandstrooiwedstrijd. Dat creatieve zat er toen al in. Jaren later heb ik de draad weer opgepikt onder impuls van Walter Engelen, net als ik wiskundeleraar. Hij experimenteerde op school al eens met deze kunstvorm en lag ook aan de basis van de eerste zandtapijtenwedstrijd in Lommel in 1981.”
Van waar kwam dat idee?
“Lommel was toen al dé stad van de zandwinning. Walter vond samen met Toerisme Lommel dat het hoog tijd was om dat nog meer in de verf te zetten. Daarom schreven ze een zandtapijtenwedstrijd uit voor kinderen, jongeren, amateurs en kunstenaars. De eerste jaren lagen de werken in de etalages van Lommelse winkels, waar een jury ze beoordeelde. Het laatste tapijt lag steevast in een café en werd daar heel grondig bestudeerd (lacht).”
Hoeveel tapijten zijn er intussen gemaakt?
“Dat moeten er zeker duizend zijn. Sinds 1990 maken we ook elk jaar één groot werk, soms tot wel 100 m². Ter gelegenheid van het duizendjarig bestaan van Lommel vulden we zelfs het hele ijsstadion met een gigantisch kunstwerk. Er kwamen betonmixers aan te pas om het zand te kleuren.”

Wat is daarvan bewaard gebleven?
“Helaas bijna niets. Ik heb wel een tiental werken kunnen recupereren en restaureren. Door de jaren heen ontwikkelde ik een speciale techniek die ik ‘kwartserellen’ noem: verschillende laagjes zand worden als het ware geschilderd en daarna beneveld met acrylaatlijm. Zo kunnen de tapijten bewaard blijven en zelfs buiten hangen, als een schilderij.”
Met welke materialen werk je?
“Al 45 jaar gebruiken we kwartszand van zandwinningsbedrijf Sibelco. Dat zeven we tot de fijnste korrels overblijven. Voor de kleuren mengen we pigmenten in glazen bokalen. Ik heb hier zo’n 250 potjes staan. Het strooien zelf gebeurt met pipetjes, hulzen van balpennen, geplooide bankkaarten, ziftjes …”
Welke eigenschappen moet een goede zandstrooier hebben?
“Creativiteit en geduld zijn belangrijk. Je moet goed kunnen tekenen, de basis van kleurenleer kennen en een vaste hand hebben om fijn en gelijkmatig te strooien. En natuurlijk moet je ertegen kunnen dat het zand na een tijd overal in huis ligt. Vraag dat maar aan mijn vrouw (lacht).”
Wat was voor jou het hoogtepunt?
“In 2002 strooiden Walter en ik met hulp van Marc Beliën tijdens het zandsculpturenfestival in Zeebrugge een tapijt van 160 m² over het ‘Mysterie van Atlantis’. Zo’n 200 000 bezoekers hebben dat gezien. Welke kunstenaar kan dat nog zeggen? Kort daarna volgde helaas het dieptepunt, toen Walter na een korte ziekte overleed. Ik dacht er even aan om te stoppen, maar dankzij een nieuwe werkgroep met Rita Cremers, Lieve Moelans en Joke Theuwissen hebben we de traditie kunnen voortzetten. Het is dankzij hen dat er deze zomer opnieuw een wedstrijd komt en dat we op 17 oktober de erkenningstekens als immaterieel erfgoed officieel overhandigd krijgen."
Wat betekent die erkenning voor jullie?
“Het is een grote eer voor mij en voor de tweehonderd mensen die sinds 1981 hebben meegedaan. Maar vooral is het een bevestiging van zandstrooien als kunstvorm. Ik zie het niet als een eindpunt, maar als een nieuw begin. De erkenning wordt om de twee jaar geëvalueerd, dus onze werkgroep blijft zich samen met Erfgoed Lommel en Visit Lommel inzetten.”
En voor de stad?
“Na het witteren is dit al het tweede typische Lommelse gebruik op korte tijd dat erkend wordt. Lommel kan zich nu nog sterker profileren als zandstad, niet alleen economisch maar ook artistiek. Zand zit nu eenmaal in het DNA van de Lommelaar, daar worden we ons nu misschien nog iets meer van bewust.”
Hoe lang ga je zelf nog door?
“Ik haal er nog bijna dagelijks mijn ontspanning uit. Grote werken zijn niet meer aan mij besteed, maar ideeën voor kleinere zandschilderijen heb ik nog genoeg. In 2031 bestaat het zandstrooien in Lommel vijftig jaar. Ik hoop mijn levenswerk dan te kunnen afronden met een mooie overzichtstoonstelling. Sommigen zijn tevreden als ze een steen hebben verlegd in een rivier. Wij zandstrooiers verleggen geen stenen in een rivier, maar brengen het zand dat de rivier heeft afgezet weer tot leven …”
Zand zit nu eenmaal in het DNA van de Lommelaar, daar worden we ons nu misschien nog iets meer van bewust.
